Heupdysplasie in 2000 en verder
door Maarten Kappen, Dierenarts Kliniek voor Gezelschapsdieren Eersel ©

Het meest voorkomende orthopedische probleem bij de hond is nog steeds de heupdysplasie, dit is de misvorming van het heupgewricht, die kan ontstaan vanaf jonge leeftijd. Hieronder zal ik uiteenzetten wat de achtergronden zijn van HD (heupdysplasie), hoe we het kunnen opsporen en wat er aan te doen is. Een speciaal punt van aandacht zal zijn de mogelijkheden om door middel van gericht fokkerijbeleid een lange termijn verbetering te bewerkstelligen.

Als we kijken naar de oorzaken van HD dan kan men zeggen dat het altijd begint met een speling tussen de bovenbeenkop en de heupkom, welke samen het heupgewricht vormen. Die speling leidt, gedurende het bewegen, tot een extra en versnelde vorm van slijtage. Er komen door de speling allerlei te grote afwijkende belastingen op het gewricht. Men noemt dit artrose. We weten dat artrose, als de hond maar oud genoeg wordt, altijd op den duur optreedt. Bij de hond met HD gaat dit sterk versneld. Hoe groter de beginspeling, des te erger de artrose. Uiteindelijk leidt dit tot verstijving van het gewricht, met minder bewegingsmogelijkheden en pijnlijkheid als gevolg. We kunnen dan zien dat de hond slecht overeind komt, veel blijft liggen, niet meer in de auto wil springen of traplopen en een verminderd bewegingspatroon heeft. Soms kan het karakter hierdoor zelfs veranderen; de hond voelt zich permanent ongemakkelijk.

Bij de jonge hond zien we dat er ook klachten kunnen optreden in geval van zeer ernstige speling, met relatief nog weinig artrose. Ook hierbij komt hij moeilijk overeind, heeft vaak een waggelende gang, vertoont het zogenaamde ‘bunnyhopping' en de bespiering van de achterhand blijft vaak sterk achter. Sommige honden gaan staan in een positie waarbij ze de achterhand ontlasten ten gunste van de voorhand. De eigenaar valt de ‘karperrug' dan nogal eens op. Al deze symptomen wijzen sterk richting HD, doch zijn vaak niet bewijzend. Hiervoor moet men verder onderzoek doen.

Allereerst wordt de hond hiervoor op tafel onderzocht. Bij het bewegen van het heupgewricht kan men pijnlijkheid vaststellen bij strekken en buigen. Ook kun je proberen in zijligging de speling van het heupgewricht vastte stellen door de kop loodrecht op de tafel uit de kom te lichten. Het pijnlijk of ongemakkelijk zijn bij dit onderzoek is wederom een aanwijzing dat er HD in het spel kan zijn.

Uiteindelijk dient de diagnose gesteld te worden door middel van röntgenologisch onderzoek. Hiervoor werd de hond tot op heden altijd op de rug in een bepaalde standaardpositie gefotografeerd. In de meeste Europese landen volstaat men met een positie (Positie I), in Nederland en onder andere in Zwitserland schrijft men nog een tweede positie voor (Positie II). De afgelopen 25 jaar is een groot gedeelte van de hondenpopulatie in vele landen  door centrale kynologische organisaties in samenwerking met dierenartsen op deze manier gescreend. Uitgangspunten hierbij waren, enerzijds dat er vanuit gegaan werd dat HD een zekere erfelijke basis heeft en anderzijds dat een gerichte selectie en uitschakeling van de ernstige gevallen van HD voor de fokkerij uiteindelijk een geleidelijke verbetering zou bewerkstelligen.

Het is toch anders verlopen; de mate van HD is in de meeste rassen zeker niet verbeterd en er is een groeiende onduidelijkheid over de centrale screeningen. De uitslagen zijn niet constant en tussen de diverse Europese landen bestaat een groot verschil van interpretatie.

Wat zijn nu de factoren die verantwoordelijk zijn voor het nog steeds niet uitgeband zijn van de HD?  Basisprobleem nummer 1 is gelegen in het feit dat lang niet alle honden bij het onderzoek betrokken worden. Vaak worden uit een nest maar 1 of enkele honden geröntgend, omdat deze terecht kwamen bij eigenaren die er mee wilde fokken of er mee naar een show willen gaan. De informatie van de nestgenoten ging en gaat dus verloren.

Een ander punt is het niet doorsturen van foto's ter beoordeling als blijkt dat na het maken van de foto's de uitslag waarschijnlijk niet goed zal zijn. In veel landen is dit mogelijk, in ons land moeten sinds kort, van elke hond die wordt aangeboden aan een officieel voor de Hirschfeldstichting werkende dierenarts, voor het maken van HD foto's, deze ook daadwerkelijk doorgestuurd worden ter centrale beoordeling. (note van de boerboelclub: Omdat de boerboel een niet erkend ras is, kunnen de foto´s niet ter beoordeling worden gestuurd naar de Hirschfeldstichting!)

Ook identificatie was, en is soms nog een probleem. Nu de honden gechipped worden lijkt dit opgelost te zijn; in het verleden was er van de tatoeëring in het oor na verloop van tijd niet veel meer over, zodat niet onomstotelijk kon worden vastgesteld of de betreffende hond ook werkelijk diegene was zoals de stamboom vermeldde.

Het laatste en meest controversiële basisprobleem van de screening is de gehanteerde techniek. Hier wil ik uitgebreid bij stilstaan, omdat ik denk dat hier de sleutel ligt tot de uiteindelijk gewenste verbetering.

Zoals boven aangegeven is de oorzaak van HD gelegen in speling van het heupgewricht. De weke delen (spieren, banden, pezen, gewrichtsvloeistof) en de botvorm van kop en kom spelen hierbij een grote rol. Deze speling zouden we graag willen meten, bij voorkeur tijdens het lopen, want dat geeft het meest reële beeld van wat er werkelijk gebeurd. Dit is echter technisch ondoenlijk. Een goede benadering hiervoor is een methode waarbij we de maximale speling kunnen meten bij de hond in rust. Deze is een tiental jaren geleden ontwikkeld en wetenschappelijk onderbouwd door Prof. G. Smith van de universiteit van Pennsilvania te Philadelphia USA. Hij stelde dat de huidige positie I niet goed geschikt is om de speling te meten; de hond ligt hierbij met de achterbenen gestrekt en de knieën naar binnen gedraaid . Er ontstaat een netto inwaartse kracht die de heupkop in de kom drukt, zodat de speling wordt gemaskeerd.

Zijn methode, de Pennhip methode, gaat uit van de op zijn rug liggende hond met de bovenbenen loodrecht omhoog ten opzichte van de tafel. Dit is de positie waarbij de te meten speling maximaal is. Hierbij worden een tweetal foto's gemaakt: 1. De dystractie opname: hierbij wordt een apparaat tussen de beide achterbenen geplaatst, zodat er een licht uiteendrukkende kracht ontstaat, waarbij de maximale speling kan worden gemeten. 2. De compressie opname: hierbij wordt aan de buitenzijde van het heupgewricht een indrukkende kracht uitgeoefend, zodat hierbij het niveau van de minste speling kan worden gemeten.

Door deze twee waarden te meten en met elkaar te delen krijgt met de spelingsindex. Deze varieert tussen 0 (totaal geen speling, de heupkop volledig in de kom) en 1 (maximale speling, de heupkop volledig uit de kom).

De voordelen hiervan zijn velerlei: het is meetbaar en narekenbaar, geen subjectieve factor. De mogelijkheid om de speling vast te stellen en de nauwkeurigheid hiervan is vele malen groter dan de traditionele methode. Er bestaat een centrale databank waar alle beoordeling in worden opgenomen en per ras worden geëvalueerd. De mogelijkheid is er dus om per ras aan te geven wat het gemiddelde is en wat de boven en ondergrens is. Dit betekent dat men per ras verschillend kan selecteren.

Een ander groot voordeel is de leeftijd waarop men het onderzoek kan doen: de Pennhip methode is geschikt vanaf 4 maanden leeftijd. Dit betekent dat men al heel vroeg kan selecteren en verder kan gaan met honden met goede heupen.

De erfelijkheidsfactor van de spelingsindex is vastgesteld op 0.60,  dus er is een hoge erfelijkheidsgraad.

Er zijn inmiddels over de hele wereld een 900 tal dierenartsen die gecertificeerd zijn om deze nieuwe methode te gebruiken met name in de USA, maar ook in Europa en in Nederland begint de belangstelling toe te nemen. Uiteindelijk zullen, naar ik hoop, ook de centrale screeningsorganisaties in de diverse landen voor deze betere methode kiezen.

Ons nawoord:

Ligt de D.I. tussen de 0.00 en 0.30, dan is er erfelijk gezien geen aanleg tot het ontwikkelen van HD. Ligt de D.I. tussen de 0.31 en 0.40, dan is er erfelijk gezien een kleine kans tot het ontwikkelen van HD op oudere leeftijd. Hoe meer de D.I. boven de 0.40 ligt, hoe groter de kans wordt om, erfelijk gezien, HD te gaan ontwikkelen. Hierbij spelen natuurlijk wel invloeden van buitenaf (zoals voeding en beweging) een grote rol